HTV nieuws wet- en regelgeving

Per 1 maart 2017 is het Wetboek van Strafvordering gewijzigd ten aanzien van het verhoor. Zo zijn de rechten van de verdachte aangaande het verhoor, zoals die op basis van de Saldusjurisprudentie en de Aanwijzing rechtsbijstand bij het politieverhoor werden toegekend, nu beschreven in de wet en bijbehorende AMvB’s. Zo beschrijft het Wetboek van Strafvordering in de artikelen 27c tot en met 29d:

  • het recht van een verdachte op bijstand van een raadsman voorafgaand en tijdens het politieverhoor;
  • de plicht voor de opsporingsambtenaar en de RC om dit recht, naast de cautie, aan de verdachte mede te delen;
  • hoe het doen van afstand is geregeld;
  • een verwijzing naar een AMvB die overtredingen aanwijst waarvoor het recht op rechtsbijstand niet geldt bij het verhoor ter plaatse van de staande gehouden verdachte
  • het recht van de aangehouden verdachte om een schriftelijke mededeling van rechten te ontvangen;
  • het recht van de aangehouden verdachte om een door hem aangewezen persoon in kennis te stellen van het feit dat hij wordt opgehouden voor onderzoek;
  • de plicht voor de HOvJ om ouder/voogd of anders de Raad voor de kinderbescherming in te lichten wanneer een jeugdige verdachte wordt opgehouden voor onderzoek;
  • de werkwijze ten aanzien van het consult en het verhoorbijstand;
  • de verbalisering/ weergave van het verhoor.

Bij deze wetswijziging horen twee AMvB’s. Om te beginnen het Besluit inrichting en orde politieverhoor, waarin wordt geregeld op welke wijze de verhoorbijstand plaatsvindt. Daarnaast bestaat er een AMvB op grond van artikel 28ab van het Wetboek van Strafvordering waarin feiten worden aangewezen waarvoor het recht op rechtsbijstand niet geldt bij het verhoor ter plaatse van de staande gehouden verdachte.  Deze AMvB is het Besluit beperking rechtsbijstand bij overtredingen.

Deze nieuwsbrief richt zich verder op de AMvB op grond van artikel 28ab van het Wetboek van Strafvordering (Besluit beperking rechtsbijstand bij overtredingen) en de verbalisering van het verhoor op grond van artikel 19a van het Wetboek van Strafvordering.

Besluit beperking rechtsbijstand bij overtredingen

Deze AMvB is nog niet van kracht (1 november 2017) en tot op dat moment heeft ook de staande gehouden verdachte het recht op een raadgevend gesprek met een raadsman voorafgaande aan het verhoor en het recht op verhoorbijstand door een raadsman gedurende het verhoor. Dit recht moet hem bij het staande houden en anders voorafgaande aan het verhoor worden medegedeeld. Wanneer de genoemde AMvB van kracht wordt, bestaat het recht op rechtsbijstand en de plicht tot meedelen dus niet meer bij het verhoor ter plaatse van de staande gehouden verdachte, die verdacht wordt van de in de AMvB aangewezen overtredingen die met een strafbeschikking zullen worden afgedaan. De AMvB wijst de overtredingen aan uit bijlage I bij het Besluit OM-afdoening, met uitzondering van de in die bijlage opgenomen misdrijven. Dit komt neer op de overtredingen uit het Feitenboekje die een p-feit zijn. Daarnaast wijst deze AMvB de Keurfeiten aan uit bijlage II van het Besluit OM afdoening en enkele overtredingen uit de Winkeltijdenwet.

Dat betekent dat de overtredingen die een *-feit zijn in het Feitenboekje hiermee niet zijn aangewezen. Het besluit beperkt zich bij het aanwijzen van de feiten nadrukkelijk alleen tot p-feiten die een overtreding zijn. Dat betekent dat feitcodes met een p, die verwijzen naar een economisch delict dat bij opzettelijk begaan een misdrijf oplevert, geen aangewezen feit zijn. Zo verwijst feitnummer p- H025 naar artikel 10 lid 2 van de Wet Milieubeheer en verwijzen de feitcodes p-H100 en p-H101 naar artikel 13 van de Wet bodembescherming. Het betreft hier economische delicten, die bij opzettelijk begaan een misdrijf opleveren. Volgens de Nota van toelichting bij het genoemde besluit bevat het feitenboekje geen economische delicten die bij opzet een misdrijf zijn. Dat lijkt dus onjuist te zijn. Het lijkt daarmee misschien ook twijfelachtig of de minister met deze AMvB beoogde om de *-feiten die een overtreding zijn en die in de regel met een strafbeschikking worden afgedaan uit te zonderen. Het is wat dat betreft afwachten of en wanneer de AMvB van kracht wordt. In zijn huidige vorm levert deze AMvB wel een paar beslismomenten op voor de opsporingsambtenaar ten aanzien van het wel of niet meedelen van het recht op consultatie en verhoorbijstand.

Tot op heden examineert ExTH de consultatie- en verhoorbijstand conform het Wetboek van Strafvordering, maar merkt het meedelen en verbaliseren van het recht op consultatie- en verhoorbijstand niet aan als kritisch. Dat betekent dat iedere verdachte op het examen recht heeft op rechtsbijstand zoals beschreven in het Wetboek van Strafvordering. Dat betekent dat de mededeling van rechten volledig gedaan moet worden en wanneer de verdachte afziet van dit recht, hij moet worden gewezen op de nadelige gevolgen (geen deskundige rechtsbijstand) en hij moet worden gewezen op het feit dat hij te allen tijde terug mag komen op zijn beslissing. De verdachte dient ondubbelzinnig afstand te doen van deze rechten. De mededelingen en het antwoord moeten opgenomen worden in het proces-verbaal. Het kruisje bij de rubriek ‘rechtsbijstand’ op de voorzijde van de combibon dekt deze lading niet. Het kruisje moet wel gezet worden, maar de volledige mededelingen en het antwoord moeten opgenomen worden op de achterzijde van de combibon. Volgens de artikelen 27c, tweede lid en 28a van het Wetboek van Strafvordering moet het volgende minimaal opgenomen worden in het proces-verbaal en dus ook achterop de combibon.                                

Ik wees de verdachte voor het verhoor op zijn recht op consultatie- en verhoorbijstand. De verdachte wenste af te zien van dit recht. Ik wees de verdachte op de nadelige gevolgen daarvan en dat hij terug mocht komen op deze beslissing. De verdachte zag af van dit recht en kwam daar niet meer op terug.

Mogelijk komt het Openbaar Ministerie medio 2018 met een nieuw model combibon waarop een en ander met enkele kruisjes aangegeven kan worden.

Verbalisering van het verhoor van de verdachte

Het nieuwe artikel 29a van het Wetboek van Strafvordering stelt regels aan de verbalisering van het verhoor. Zo verplicht artikel 29 a dat:

  • het proces-verbaal de tijdstippen vermeldt waarop het verhoor van de verdachte is aangevangen, eventueel werd onderbroken en hervat, en waarop het is beëindigd;
  • het proces-verbaal de redenen voor het onderbreken van het verhoor bevat;
  • het proces-verbaal de identiteit van de personen die bij het verhoor aanwezig zijn en die daaraan deelnemen bevat;
  • aangetekend wordt of geluids- of beeldopnamen van het verhoor zijn gemaakt;
  • de verklaring van de verdachte, in het bijzonder die welke een bekentenis van schuld inhouden, in het proces-verbaal van het verhoor zo veel mogelijk in zijn eigen woorden worden opgenomen;
  • de verklaring van de verdachte zo volledig mogelijk wordt weergegeven en zo veel mogelijk in vraag- en antwoordvorm;
  • de verdachte en, voor zover deze het verhoor heeft bijgewoond, aan de raadsman de gelegenheid wordt geboden om opmerkingen te maken over de weergave van het verhoor in het proces-verbaal (weergave van de verklaring dus voorhouden c.q. voorlezen);
  • deze opmerkingen worden, voor zover zij niet worden overgenomen, in het proces-verbaal vermeld;
  • indien de verdachte met de weergave van zijn verklaring instemt, hij deze ondertekent.

De combibon is een proces-verbaal en er bestaat geen wettelijke regel die ten aanzien van die combibon een uitzondering maakt voor de plichten uit artikel 29a van het Wetboek van Strafvordering. Ook het Openbaar Ministerie heeft daartoe nog geen aanwijzingen gegeven. Mogelijk voorziet een nieuw model van de combibon in een en ander. ExTH examineert artikel 29a Wetboek van Strafvordering nog niet. Wat dat betreft is het te bezien hoe om te gaan met deze wettelijke verplichtingen. Het bieden van de gelegenheid om opmerkingen te maken over de weergave van het verhoor in het proces-verbaal kan in ieder geval worden gedaan. Door de verdachte zijn verklaring voor te houden en te vragen of hij daarover nog opmerkingen heeft, wordt voldaan aan deze wettelijke plicht.

 

Bert van Herp

1 november 2017

 

 

Terug naar nieuwsoverzicht